Een tijdje geleden paste ik in een van mijn zovele vlagen van verstandsverbijstering kleren uit mijn prekinderentijdperk. Ik wilde wat op Vinted zwieren om met dat geld opnieuw kleren te kunnen kopen in de hoop zo de grote leegte in mezelf te vullen met tijdelijk en materieel genot. Dat is toch nog steeds een beproefde methode, toch?
Wonder boven wonder paste ik nog steeds in een rokje van 7 jaar en evenveel kilo’s geleden. Dat het een stretchstof betrof én een rekker had, speelde mogelijk wel een rol in dit minimirakel, maar toch. Het voelde goed. Ik voelde zelfs een beetje (weliswaar misplaatste) trots. Alsof ik iets te bewijzen had, aan god weet wie.
Tot de kabinetschef-tut ’s avonds vroeg (ja, ik had de rok dan ook maar meteen een hele dag aangehouden): “Mama, waarom heb je zo’n dikke buik?”
Tot daar het goed gevoel. Normaal is het de crisismanager die me met mijn beide voetjes op de grond zet, nu was het verdorie mijn eigen vlees en bloed.
“Omdat jij en broertje daar 9 maanden hebben in gewoond. Dan krijg je een buikje terug dat nooit meer plat wordt zoals vroeger, toen je zorgeloos spannende, korte topjes op low waist skinny jeans droeg en je het blijkbaar doodnormaal vond dat er geen overtollige vleesband over je broekband kwam te hangen. En bovendien, liefste dochter, is dat nog altijd geen dikke buik en zelfs al was het er wel een, who cares, wat is dik, wat is dun, en als je nog een keer je moeder fatshamet, gooi ik je tut weg.”
De kabinetschef-tut, die ik ongetwijfeld een zoveelste trauma bezorgde door dit antwoord, keek gelukkig niet vreemd op en knikte zelfs heel begrijpend. Ze vindt ook dat ik een dikke poep heb, maar zegt dat ook over haar eigen, schattige poep die ze dan fier de lucht in steekt en er nog mee zit te shaken ook.
Dat dus, dat zouden we ook allemaal beter wat meer doen. In plaats van ons te schamen over ons buikje, de putjes in onze billen, dit striempje hier en dat rimpeltje daar. In plaats van jaloers te zijn op andere, strakke mama’s (hoe de f*ck doen ze het?) of laat staan op de tiener- en twintigerversie van onszelf.
Ik kan dat hier nu wel allemaal goed en wel verkondigen, maar onlangs stond ik in het pashok voor nieuwe zwemkledij en verging me het schudden met mijn kont al snel toen ik besefte dat ik sinds de komst van de cabinetards alleen nog maar badpakken draag en zelfs de moeite niet meer doe om nog een bikini te passen. En toen ik me met moeite in een badpak maatje 38 wurmde, was de inzinking nabij. Ik maakte mezelf wijs dat ze de maten hadden verwisseld, een menselijke fout quoi, en ging met de 40 naar de kassa om te betalen.
Toen ik wat later het desbetreffende badpak aan de crisismanager toonde, zorgde die alsnog voor een hysterische breakdown. Die zei immers niet gewoon “mooi” of, beter nog, “daar wil ik je wel eens in zien flaneren” of “je zal een godin zijn in dit zwempak” of “de nieuwe cover van Sports Illustrated lonkt” (je weet wel, the usual complimentjes die je van je wederhelft verwacht), maar enkel “ah, zitten we aan een 40?”, waardoor ik hem net niet wurgde met het badpak, hem bitsig toebeet dat hij toxisch masculien is en mezelf dan maar een glas rosé uitschonk – wat ik dus niet meer ging doen om dan toch eindelijk maar eens wat te werken aan die tempel van mijn lichaam.
’t Is toch waar zeker, met al die adviezen van gezondheidsgoeroes om niet te drinken, caloriearm te eten, je darmen te cleansen en vieze sapjes te drinken om bikiniproof de zomer in te gaan, ga je op de lange duur nog geloven dat jij en je buikje geen bestaansrecht hebben. Foert, echt waar. Ik denk dat ik mijn oude bikini’s eens ga passen. Mogelijks zijn de slipjes strings geworden en de bovenstukjes niets meer dan tepelbedekkers, maar wat maakt het uit. Ik ben een huisje geweest voor twee kinders. Dat is het enige van gewicht dat telt.

En de crisismanager? Die vindt mij in elke gedaante lekker, mateloos. Dat is hem toch geraden.