Zwangerschap 2.0

Eigenlijk is het niet eerlijk. Nu al ocharme, lieve zoon. Maar vergeef het mij, ik kan er ook niets aan doen. Een tweede zwangerschap is zo anders dan een eerste.

Waar ik bij de kleine kabinetschef-tut wekelijks een foto wilde van mijn groeiende buik, besef ik nu na zes maanden zwangerschap dat ik nog maar drie foto’s heb. Dus besloot ik onlangs na een uitgebreide douche de crisismanager lastig te vallen voor een fotoshoot van mijn lichaam in volle bloei. Slechts gehuld in ondergoed en kimono stormde ik de living binnen, ware het niet dat dat al maanden aan een stuk ook de crisismanager zijn werkplek is. En die zat dus in een meeting.

Waar ik bij de kleine kabinetschef-tut dagelijks meer dan één app checkte, besef ik nu soms pas na een zoveelste week dat ik de enige app die ik nog op mijn gsm heb staan niet eens heb opengedaan. Dan haal ik natuurlijk de schade wel in en lees ik alles wat ik kan lezen over de ontwikkeling van mijn zoontje, streel ik terwijl over mijn buik en prevel ik enkele sorry’s richting navel (die bijna gaat ‘poppen’ overigens, wat dan weer voor de nodige hysterie zorgt zo nu en dan als hij vervaarlijk aan het uitpuilen is na een zoveelste boterham met choco, pak friet of diepvriespizza).

Maar geloof me, ik ben dolgelukkig met dat leven in mijn buik, ook al heeft de gynaecoloog me bij de laatste controle nog verteld dat zoonlief op de 4 kg afstevent tegen eind juni. Dus ook al heb ik nu al pijn aan mijn onderste regionen bij de gedachte aan die 4 kg alleen al, dan nog kan ik niet wachten om hem te ontmoeten. De nieuwe cabinetard van het ministerie.

De hormonen spelen de laatste tijd trouwens danig op, dus ik huil ook vaak als ik aan hem of aan de kleine kabinetschef-tut denk – ook al hobbelt die laatste gewoon continu vrolijk rond in huis. Tranen van blijdschap dus, voor de duidelijkheid. En soms van blinde paniek, dat ook. Want hoe gaan de crisismanager en ik in godsnaam niet één maar twee kinderen proberen op te voeden? Hoe gaan wij nog tijd hebben voor iets anders dan moederen en vaderen, voederen en terloops uiteen groeien om dan weer elkaar toe te naderen? Als je de ouders van meerdere koters moet geloven is het immers gedaan met het luilekkerleventje bij de overgang van kind 1 naar kind 2.

Maar meestal zijn het dus gewoon tranen van geluk, hoor. Want dan stel ik me voor hoe die twee kabinetsmedewerkertjes geheel tegen onze wil in de Bumbadans zullen doen in de keuken. Of hun eten op de grond zullen gooien, of ons wakker zullen houden bij tandje hier en hoestje daar. Of met hun dikke wijsvingertjes naar alles zullen wijzen wat los en vast zit. Of hoe ze kwijlkusjes zullen geven en hun hoofdjes zullen begraven in mijn schoot. Ik hoop ook oprecht dat deze adjunct-kabinetschef-tut, net zoals zijn grote zus, op commando een knoert van een scheet op zijn vaders hoofd zal laten. Echt, dat moment eergisterenmorgen neemt niemand mij ooit nog af. De kleine kabinetschef-tut, vrolijk als altijd rollebollend tussen ons in het grote bed, die ostentatief op de crisismanager zijn gezicht gaat zitten. Ik, nog half slaperig, die zeg dat ze dan maar ineens een flinke prot moet laten. (Ja, dat is mijn soort humor na de tweeënzestigste onderbroken nacht.) Wat ze warempel deed. Ik plaste zowaar nog eens bijna, of toch echt wel een beetje, in mijn uiterst onflatterende zwangerschapsonderbroek. Wat dan ook weer niet zo verwonderlijk is volgens de gynaecoloog wegens mijn nu al verweekte bekkenbodemspieren. Want ja, ook dat voel je bij een tweede zwangerschap allemaal wel wat meer doorhangen en doorbuigen en doorzakken. Is het al te laat voor wat Kegel?

Er is echter één constante, iets dat niet veranderd is ten opzichte van de eerste zwangerschap: de immer liefkozende crisismanager die me keer op keer weet te verbazen met zijn spitsvondige beledigingen, verpakt als toch wel heel cryptisch-liefdevolle koosnaampjes. Godzijdank vond een lieve vroedvrouw vorige week nog dat ik een ‘mooi en compact buikje’ had, want als het van de crisismanager afhangt ben ik een gestrande walvis op de zetel die dringend wat moet sporten. Hoeft het te verbazen dat ik daar hysterisch van word? Nu, ik weet niet wat jij ervan vindt om syfilitische zeug (*) genoemd te worden, maar er zijn best wel andere liefdevolle benamingen die mijn zelfbeeld toch iets meer eer aandoen dan dat. Onlangs was ik al blij dat ik Bumba werd genoemd en niet wandelende ton. Je ziet, ik ben best snel tevreden. Het moge duidelijk zijn, er rust een loodzware taak op mijn schouders, want het is aan mij om mijn nieuwste kabinetsmedewerker te leren hoe hij later met vrouwen moet omgaan.

Wildebrasje, jonkie, apeke, zoon. Blijf maar lekker vreten van mijn energie en mijn hersenen zodat je een sterk, gezond, gelukkig en slim kereltje wordt. Met een hart van goud en het hart op de tong, empathisch en zorgzaam, zelfstandig en zelfredzaam, en gewoon keihard jezelf. Dat is meer dan genoeg. En laat niemand je ooit iets anders vertellen. Tot binnen een kleine drie maanden, rakkertje! Ondertussen ploetert ons ministerie lekker hysterisch de dagen voort.

*Dat van die zeug heeft de crisismanager (gelukkig) niet zelf verzonnen, we hoorden het in de serie The Knick waarin een flamboyante arts syfilis probeert te genezen door proeven uit te voeren op een zieke zeug. Dat maakt het er op zich helemaal niet beter op dat ik dan maar zo genoemd word, maar ergens is het toch ook een kleine geruststelling. Nogmaals, ik ben echt wel snel tevreden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s